Geschiedenis

De twee belangrijkste delen van Tsjechië, Bohemen en Moravië, maakten in de middeleeuwen deel uit van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Het koninkrijk Bohemen was in die tijd een belangrijke macht, maar door religieuze conflicten zoals de Hussietenoorlogen in de 15e en de Dertigjarige oorlog in de 17e eeuw werd het rijk verscheurd. Later kwamen de Habsburgers aan de macht en maakte het huidige Tsjechië deel uit van het grote Oostenrijk-Hongarije.

De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan Oostenrijk-Hongarije. Hierop sloten de Tsjechen en het naastgelegen Slowakije zich aaneen, en richtten in 1918 de onafhankelijke republiek Tsjecho-Slowakije op. In deze nieuwe republiek woonde echter een groot aantal Duitsers, wat voor Nazi-Duitsland aanleiding was om dit gebied te annexeren na de Conferentie van München in 1938. Vervolgens besloot ook Slowakije zich af te scheiden. Het overgebleven gebied werd in 1939 door Duitsland bezet.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog bleven Tsjechië en Slowakije gezamenlijk als Tsjecho-Slowakije deel uitmaken van het Oostblok. Tot de Praagse coup bleef Tsjecho-Slowakije een democratisch regime, zij het een zeer anti-Westers en pro-Sovjet Unie regime, doordat ze voor de Tweede Wereldoorlog begon door het westen in de Conferentie van München in de steek zijn gelaten.

Op 1 januari 1993 maakte Tsjechië zich los van Tsjecho-Slowakije, en ging het zich steeds meer op het westen richten. Tsjechië trad op 1 mei 2004 met nog negen andere staten toe tot de Europese Unie.